Alternatieven voor het standaardgeld
Het 'standaardgeld' - van euro's tot yen - is niet meer geschikt als betaalmiddel: het is te schaars. Bijna alle economische en sociale problemen in de wereld zijn hiervan een gevolg. Aan alternatieve systemen wordt wereldwijd hard gewerkt. Deze vormen een prima gereedschapskist om lokaal economische en sociale problemen aan te pakken.
Wat is het probleem met standaardgeld?
De twee belangrijkste functies van geld zijn: 1) betaalmiddel, 2) opslag van kapitaal. Deze twee zijn principieel met elkaar in strijd, want om als betaalmiddel te fungeren moet geld voortdurend van eigenaar veranderen, om als opslagmiddel dienst te doen verandert het juist niet meer van eigenaar: het wordt aan de circulatie onttrokken.
Door de werking van ons geldsysteem is kapitaalopslag tevens een belangrijk middel tot verdere kapitaalvergaring geworden. Geld trekt geld aan. Het standaardgeld is door deze ontwikkeling in feite gekaapt door de functie van kapitaalvergaring, ten koste van de functie van betaalmiddel. Ook als kapitaal belegd wordt heeft het een eigenaar, naar wie het uiteindelijk zal terugkeren. Daarbij zal het door het rendement op de belegging nog meer betaalmiddel aan de circulatie onttrekken. Het standaardgeld krijgt dus te weinig de kans om zijn functie van betaalmiddel te vervullen. Deze discrepantie veroorzaakt een groot deel van alle economische en sociale problemen in de wereld.
We gaan hier in kort bestek wat dieper op in.
Geld is, in de functie van betaalmiddel, alleen maar een handig middel om een stap verder te komen dan directe ruilhandel. Het mag dus niet schaars zijn: er moet genoeg van zijn om alle vraag en aanbod in een redelijk tempo bij elkaar te brengen. Bij gebrek aan betaalmiddel - een 'drooggevallen' markt - komen vraag en aanbod minder bij elkaar dan in een ideale markt mogelijk zou zijn. Alsof de treinen niet meer kunnen rijden omdat de kaartjes op zijn.
Ons geld wordt echter voortdurend weggezogen van plaatsen waar het als nuttig ruil- en betaalmiddel dienst kan doen, naar plaatsen waar het al ligt opgepot. De eigenaars van het kapitaal bepalen wereldwijd op welke markten er genoeg betaalmiddel mag blijven, en op welke niet. Gevolgen onder andere: werkeloosheid, armoede en verschraling van zorg, onderhoud van publieke ruimte en natuur.
Wat veroorzaakt de schaarste aan betaalmiddel?
De primaire oorzaak van het tekort aan betaalmiddel is het monopolie op geldschepping, dat nota bene berust bij commerciële bedrijven: de banken. De secundaire oorzaak is het verschijnsel rente, dat zonder dat commercieel uitgebate monopolie zeker een veel minder belangrijke rol zou spelen. De effecten van rente op de geldstromen zijn nu werkelijk gigantisch.
Alleen banken mogen geld scheppen, en het is in hun belang om het schaars te houden, want alleen dan kunnen ze geld vragen (rente) voor het gebruik van geld. Het duivelse is dat juist die te betalen rente het geld nóg schaarser maakt, want ander geld dan door de banken uitgeleend geld is er niet op de wereld. De door de een betaalde rente was ooit het door de ander geleende kapitaal. Een groot deel van het bestaande geld is al voorbestemd om door sterkere partijen als rente betaald te worden. Die rente stolt uiteindelijk in de grootste vermogens, waardoor de zwakkere partijen hun leningen nooit zullen kunnen afbetalen.
De rentestroom
Rente veroorzaakt een enorme geldstroom van arm naar rijk. Ook wie er best warmpjes bij zit draagt netto nog steeds aan deze stroom af, want in alle prijzen is de rente doorberekend die de winkelier, de distributeur, de fabrikant enz. enz. op hun leningen moeten betalen. Het aandeel rente in consumentenprijzen varieert, afhankelijk van product of dienst, van dertig tot vijftig procent! Zodoende levert in het Westen het verschijnsel rente alleen de rijkste tien procent van de bevolking netto iets op (onderzoek in Duitsland, 1982). Tien procent speelt ongeveer quitte, en de overige tachtig procent betaalt het gelag. Op wereldschaal zijn die verhoudingen nog veel schokkender.
Op al het geld in de wereld staat dus, door de rente, continu een enorme zuigkracht in de richting van de allerrijksten. Zoals gezegd is een groot deel van het nu bestaande geld al voorbestemd om als rente betaald te gaan worden, en via die rentestroom bij de top van de top terecht te komen. Geen wonder dat veel markten droogvallen.
Alternatieven
De conclusie is dus dat het standaardgeld eigenlijk niet meer geschikt is als betaalmiddel. Het is gekaapt door de daar mee in strijd zijnde functie van kapitaalopslag- en vergaringsmiddel en is daardoor voor de functie van betaalmiddel onnodig schaars.
Wereldwijd wordt hard gewerkt aan alternatieve betaalmiddelen ofwel complementaire geldsystemen: handelssystemen waarin de rol van ruil- en betalingsmiddel niet door gewoon geld wordt gespeeld. Complementair, dat wil zeggen niet ter vervanging van de bestaande geldeconomie, maar in aanvulling hierop. Het gaat doorgaans om het realiseren van economisch verkeer dat bij gebrek aan geld anders niet zou plaatsvinden, maar waar wel interesse voor is. De bekendste complementaire geldsystemen zijn de LETS-kringen (LETS: Local Exchange Trading System), die werken met een alleen lokaal bruikbare punteneenheid.
Complementair geld begint met het besef dat het monopolie op het scheppen van betaalmiddel onzin is. Waarom zou je niet met een aantal partijen in het economisch verkeer af kunnen spreken om onderling iets anders dan geld als betaalmiddel te accepteren? Het bedrijfsleven doet dat zelf ook, kijk bijvoorbeeld naar het groeiend aantal toepassingen van Airmiles.
Met complementaire geldsystemen hebben gemeenschappen meteen een prima gereedschapskist in handen om lokaal economische en sociale problemen aan te pakken. Mensen, bedrijven en andere organisaties worden domweg minder afhankelijk van de aanwezigheid van standaardgeld. Laten we eens een paar gereedschappen uit deze kist bekijken.
- Geen monopolie op geldschepping. In systemen van wederzijds krediet (zoals LETS) of met schuldbekentenissen kan in principe elke partij naar behoefte betaalmiddelen scheppen.
- Alleen lokaal bruikbaar geld. Dit heeft een paar belangrijke voordelen. Ten eerste verlaat dat geld de gemeenschap niet, hetgeen rust en vertrouwen geeft. Ten tweede kan het lokale geld worden ontworpen met het oog op plaatselijke problemen, wensen en mogelijkheden. De afspraken rond het gebruik kunnen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting tegengaan, en milieuvriendelijk en sociaal gedrag bevorderen.
- Geen of zelfs negatieve rente op tegoeden, geen rente op schulden. In sommige stelsels wordt negatieve rente op tegoeden ('demurrage') gerekend om de circulatie te bevorderen. Met de opbrengsten worden dan bijvoorbeeld de kosten van het systeem betaald, of er worden sociale projecten mee gefinancierd.
Op veel plaatsen wordt geëxperimenteerd met de bouwstenen van complementair geld: LETS, lokale punteneenheden, nul of negatieve rente. Hier en daar worden van deze bouwstenen al grotere structuren gemaakt, zie bijvoorbeeld Qoin , Gelre Handelsnetwerken en Stichting Ander Geld. Denk hierbij aan:
- verbanden over de hele keten tussen producent en consument
- integratie met goede doelen zoals werkgelegenheidsprojecten, zorg, milieu
- systemen die via internet niet-lokale gemeenschappen ondersteunen
Literatuur
Sterk aanbevolen: Bernard Lietaer, 'Het geld van de toekomst', ISBN 90-225-2819-7
Verkrijgbaar bij Strohalm:
Henk van Arkel en Camilo Ramada, 'Arm door geld', ISBN 90-703-3404-6
Henk van Arkel en Guus Peterse, 'Voor hetzelfde geld', ISBN 90-703-3473-9
Op de Startpagina complementaire economie vind je een schat aan informatie over dit onderwerp.
